wie is emma?

Een exclusieve persoonlijke kennismaking met Emma,

haar beweegredenen en de start van dit imposante project.

Door John van Ierland.

In 2004 presenteerde ik in Breda mijn roman De Geest van de Vloeiweide.
Na afloop liep de ruimte langzaam leeg. Stoelen schoven, jassen werden aangetrokken, stemmen
stierven weg. Achterin bleef één vrouw zitten. Klein. Rechtop. Alsof ze geworteld was aan die laatste rij.
Ik vroeg haar of ik nog iets voor haar kon betekenen. Ze keek me aan, haar ogen helder en oud tegelijk.

“Ja,” zei ze. “Dat kunt u. Mijn naam is Emma. Ik ben achtentachtig jaar oud. Toen ik las over deze
presentatie, wist ik dat ik hier moest zijn. Het was alsof ik hier al die jaren op had gewacht.”
Ze slikte. “Ik wil mijn verhaal met u delen. Het speelt zich af in de oorlog. In Rotterdam.”

Een paar dagen later zat ik bij haar aan tafel. Haar dochter naast haar. Voor ons lagen twee kleine,
bordeauxrode dagboekjes. De kaften waren versleten, de hoeken rondgeleefd. Emma legde haar hand
erop. Niet beschermend, maar alsof ze afscheid nam. “Dit is alles,” zei ze zacht.
“Alles wat ik uit de oorlog heb meegenomen. Deze boekjes… en dit meisje.”
Ze keek naar haar dochter. “Lucia.”

Vijfenvijftig jaar lang had ze gezwegen.“Ik kon het niet,” zei ze.
“Het verhaal zat te diep. Het heeft een stempel gedrukt op mijn ziel, zo zwaar dat ik er niet overheen kon
praten. Maar ik wist ook: het mag niet verloren gaan.”
Haar stem brak.

“Nu voel ik de tijd. De last om het verborgen te houden wordt zwaarder dan het verhaal zelf. Ik moet het
delen. Ik wil het delen.” Ze schoof de dagboeken naar me toe.

“Ik vraag u, meneer van Ierland, om er een boek van te maken. Een vertelling.
Op uw manier. Zodat het blijft bestaan.”

wie is emma?

Ze was getrouwd met Karel, notaris in de Rotterdamse binnenstad. Tot het bombardement van 14 mei
1940 alles wegvaagde. Hun kantoor verdween in rook en puin. Opgeven was geen optie. Ze bouwden hun
huis aan de Ooievaarstraat deels om tot werkplek.

Karel ontdekte hoe bezittingen van Joodse families werden verkocht, hij besloot hen te gaan helpen en
Emma keek over zijn schouders mee. “Het waren stadsgenoten,” zei Emma.
“Mensen die we kenden. We konden dat niet aanzien.”

Karel was dertig toen de oorlog begon. Lichamelijk zwak, gekweld door bronchitis. Maar zijn wil was
onverzettelijk. Hij beet zich vast in het beschermen van eigendommen en in het achterhalen waar
mensen zich verborgen hielden.

Emma nam het langzaam van hem over. Ze leidde. Ze organiseerde. Ze hielp Joden onderduiken. Ze
bracht informatie rond. Ze deed wat nodig was. Niet omdat we helden waren,” zei ze. “Maar omdat we
mens zijn.” Dit deden ze al die oorlogsjaren, tot de razzia’s kwamen.
En alles nog donkerder werd.

Terwijl ze sprak, stroomden de tranen over haar wangen.
Haar ogen waren rood, maar het vuur erin was niet gedoofd. De oorlog brandde er nog altijd. Ik wist niet
wat te zeggen. “Het is goed,” zei ze toen. “Ik heb het geprobeerd weg te stoppen. Het lukt niet. Het komt
altijd terug.” Ze ademde diep in.

“Maar dit… deze tranen… ze voelen als opluchting. Alsof ik het heb overgedragen. Alsof het niet meer
alleen van mij is.” Ze keek me indringend aan.
“Ik wil u één ding vragen. Zet niemand op een voetstuk. Wij deden onze plicht. Die van de mensheid.
Wilt u me dat beloven?” Ik beloofde het haar.

Met de dagboeken – als ware het een schat – tegen mijn hart gedrukt nam ik afscheid van Emma en
Lucia. Thuis las ik alles. En door mijn tranen heen zag ik haar weer zitten, daar aan die tafel in Rotterdam.
Het liet me niet meer los.
Nooit meer.

Drie weken later overleed ze. Met een kleine glimlach op haar lippen.
Ze had het losgelaten.
Haar naam was Emma.

Ze leidde het verzet en steunde daarmee de weerloze.
Ze kon niet tegen onrecht. Ze was onverzettelijk, scherp, krachtig. Met haar viel niet te sollen.
Zij en haar Karel bleven strijden, ook na de oorlog.
Wat krom was moest recht. Wat fout was moest worden benoemd.
Bezittingen moesten terug naar de rechtmatige families –
iets wat tot op de dag van vandaag nog doorgaat.

Haar verhaal is ongelooflijk.
Nu is het opgetekend.
Nu leeft het voort — in een roman, en op het toneel.
En dat alles, precies zoals zij het wilde.

Spitters, Emma van het verzet.

John van Ierland